Prijsvraag-Renaat-Braem

Een lichtkunstwerk voor 't Kiel

Antwerpen

inzending prijsvraag Renaat Braem

De opgave bij deze prijsvraag was om een visie uit te werken voor de toekomstige omgang met de directeurswoning en het aanpalende ketelhuis in de sociale woonwijk van Renaat Braem op het Kiel. Woningbouwvereniging Woonhaven wilde aan deze twee gebouwen een nieuwe geschikte functie toekennen die de architectuurhistorische waarde van de site en van de gebouwen in stand houdt maar tevens een hedendaagse component kreeg. Het resultaat moest een uitgewerkt ontwerpvoorstel worden dat respect voor de erfgoedwaarde koppelt aan hedendaagse ingrepen om zo de betekenis van de plek, van de woonwijk en van het oeuvre van Braem te versterken. De invalshoek was daarbij vrij te kiezen: interieur, architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie, sociale wetenschappen, beeldende kunsten,…

Voor de eerste bewoners uit 1953 moeten de woningen op het Kiel een ongekende luxe zijn geweest. De woningen waren ruim en licht, met een praktische keuken en inbouwkasten. De voorzieningen waren voor die tijd ook zeer vooruitstrevend: alle woningen hadden warm stromend water en er was centrale verwarming afkomstig van het Ketelhuis. In het gebouw dat Braem hiervoor ontwierp, heeft hij de ‘schoonheid van de machine’ heel bewust tot uitdrukking willen brengen. Hij plaatse drie gigantische stookketels in een grote glazen hal, voor de buitenwereld goed zichtbaar. Hiervandaan werd het voorverwarmde water via ondergrondse leidingen naar de flatgebouwen gepompt. Braem werkte deze leidingen niet weg in het gebouw, maar liet ze expliciet in het zicht, gaf ze opvallende, heldere kleuren en plaatste ze in een transparante vitrine die onder de flats hing, als een technologisch kunstwerk. Bij het ‘onderstation’ gingen de buizen de flats in. Het woud van buizen dat hier samenkomt heeft iets weg van een modern orgel. Braem ging er prat op dat hij daarin zelfs een stap verder ging dan Le Corbusier: ‘Op het Kiel zullen hart en aders zichtbaar functioneren’, zei hij daarover in 1954.

Tegenwoordig staat niemand meer stil bij een warme douche in de ochtend, of als we de verwarming een graadje hoger zetten. Wat ooit vooruitgang was, wordt nu als vanzelfsprekend ervaren. Weinig bewoners zullen nog beseffen dat ze naar een technologisch kunstwerk kijken als ze langs de vitrines onder de flats lopen en dat de stookplaats ooit het kloppend hart van de stadsverwarming was.
Om de betekenis van dit gebouw in het park en de relatie met de woongebouwen weer expliciet te maken, hebben wij in het kader van de prijsvraag een lichtkunstwerk ontworpen dat dit op een spannende wijze visueel zou moeten maken. Zowel het ketelhuis als de leidingentracés onder de flats zouden voorzien worden van lichtlijnen waarlangs zich lichtvlekken zouden verplaatsen door de wijk en weer terug. Het uitgaande licht zou een warmere kleur krijgen dan het terugkerende en zo het oorspronkelijke functioneren van deze wijkverwarming uitbeelden. Daarnaast zou het rondgaande licht aantrekkelijk moeten zijn, verwonderen en zowel het Ketelhuis als de openbare ruimte moeten verbijzonderen. Het kunstwerk moest nieuwsgierig maken en vragen op zal roepen over de functie en betekenis van het gebouw. Daarnaast was het de bedoeling dat deze fraaie toevoeging aan de wijk bij zou dragen aan de verbinding van haar bewoners!

Team: Agnes Hemmes Rogier Groeneveld
Prijsvraag: Vlaams Architectuurinstituut (VAi) en Centrum Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa)
Jaar: 2009

<klik hier om onze inzending te bekijken (PDF)>

Voor de eerste bewoners uit 1953 moeten de woningen op het Kiel een ongekende luxe zijn geweest. De woningen waren ruim en licht, met een praktische keuken en inbouwkasten. De voorzieningen waren voor die tijd ook zeer vooruitstrevend: alle woningen hadden warm stromend water en er was centrale verwarming afkomstig van het Ketelhuis. In het gebouw dat Braem hiervoor ontwierp, heeft hij de ‘schoonheid van de machine’ heel bewust tot uitdrukking willen brengen. Hij plaatse drie gigantische stookketels in een grote glazen hal, voor de buitenwereld goed zichtbaar. Hiervandaan werd het voorverwarmde water via ondergrondse leidingen naar de flatgebouwen gepompt. Braem werkte deze leidingen niet weg in het gebouw, maar liet ze expliciet in het zicht, gaf ze opvallende, heldere kleuren en plaatste ze in een transparante vitrine die onder de flats hing, als een technologisch kunstwerk. Bij het ‘onderstation’ gingen de buizen de flats in. Het woud van buizen dat hier samenkomt heeft iets weg van een modern orgel. Braem ging er prat op dat hij daarin zelfs een stap verder ging dan Le Corbusier: ‘Op het Kiel zullen hart en aders zichtbaar functioneren’, zei hij daarover in 1954.